'Eeuwen' oude Rederijkerskamer

Blazoen
van de Bossche rederijkers.
-foto © gerard monté, 2 juni 2007.
Internationaal congres [2 en 3 juni 2007] den bosch, 20 mei 2007.
Van den Udenhout Cultuurfonds prijs -9 februari 2006
Historie van Bossche Rederijkerskamer
---------------------------
Internationaal
Rederijkerscongres den bosch, 20 mei 2007.
In het weekeind van 2, en 3 juni 2007 is de Bossche Rederijkerskamer Moyses’ Bosch gastheer van enige zusterkamers. Dat gebeurt op verzoek van ‘Het ‘Verbond van de kamers van Rhetorica in Vlaanderen en Nederland’.
Voor het publiek wordt - in competitie – door 4 kamers de voorstelling ‘Treft Elkaar’ gegeven, waarvan Cees Slegers de tekst schreef. Uit die voordrachten, die opgevoerd worden door een viertal Vlaamse en Brabantse kamers, kiest een jury olv John Leddy een winnaar.
Daarnaast is er zondagmiddag
een academische zitting, waarin wordt teruggekeken op de tijd van
Jeroen Bosch toen de kamers zijn ontstaan en er volgt in een blik op
de toekomst een discussie over de verhoudingen tussen Vlaanderen en
Zuid-Nederland.
Het congres vindt zaterdagavond 2 juni en zondagmiddag
3 juni 2007 plaats in het Jeroen Boschcentrum.
![]() |
![]() |
![]() |
Links: publieksprijs. Rechts de -1e- landjuweelprijs in zilver en als 2 en 3 prijs uitgevoerd in brons, die beschikbaar gesteld werden door het Koning Willem 1-College. Midden blazoen Moyses' Bosch In vierigheyt groeiende. - foto's © gerard monté, 2 en 3 juni 2007.
![]() |
![]() |
|
Links: Een welkom door voorzitter van de gastkamer Moyses' Bosch, Carlo van de Water. Midden: de jury. met John Lewddy, Edith van der Schoor, Emile François en Nicole Gits, secretaris. Rechts: Marc van Dam, spreekstalmeester, interview John Leddy. - foto's © gerard monté, 2 en 3 juni 2007.
![]() |
|
|
Links: Cees Slegers volgt gespannen de verrichtingen van de deelnemers. Midden: de pauze kon doorgebracht worden op de buitenplaats dankzij het mooie weer.Rechts: de eerste roep olv Natascha d'Armagnac . - foto's © gerard monté, 2 en 3 juni 2007.
![]() |
|
|
PoëtoloogGaston droeg eigen gedichten voor van eigen hand. Midden: Tet van der Donk ontving de publieksprijs. Rechts: de winnaar de kamer 'De Ghesellen vanden Palmrijze' uit Mechelen. - foto's © gerard monté, 2 en 3 juni 2007.
![]() |
Links: Diploma van een deelnemer Rechts de Bronzenwwinnaar tussen 2 juryleden. - foto's © gerard monté, 2 en 3 juni 2007. |
|
Moyses'Bosch : de academische zitting 3 juni 2007.
![]() |
![]() |
|
Links: prof. Jan Jacobs, hoogleraar Geschiedenis van kerk en theologie [Universiteit vanTilburg]. Midden prof Marcel Gielis universitair docent Geschiedenis voor kerk en theologie [Universiteit van Tilburg]. Rechts: Vincent Verstappen, die namens Moyses' Bosch de inleiding deed. - foto's © gerard monté, 2 en 3 juni 2007.
![]() |
|
|
Links: 3 leden van de Schola Cantorum zongen: 'Nieuw liedeken' op de wyse Schoon jonckvrou ick moet u claeghen. Midden: erediploma uit 1996 dat toen niet opgehaald kon worden. Rechts: de vertrekkende regisseur Edgar Danz die mede de techniek verzorgde. - foto's © gerard monté, 2 en 3 juni 2007.
------------------------------
Van
den Udenhout Cultuurprijs aan Moyses’ Bosch uitgereikt/den bosch, 9 februari 2006.
Vanmiddag 9 februari 2006
is in de Oranjegalerij van het stadhuis aan de Rederrijkerskamer Moyses’ Bosch
de Van den Udenhout Cultuurfonds Prijs 2005 uitgereikt. Deze tweejaarlijkse
prijs, die indertijd ingesteld werd door de mede-naamgever Joep Chappin,
oud-directuer bij Autobedrijf Van den Udenhout, is bedoeld ter bevordering van
het kunst - en cultuurklimaat in de regio ’s-Hertogenbosch en bestaat uit een
bedrag van € 7.500 euro.
![]() |
![]() |
![]() |
Hierboven: vlnr archivaris Rob van de Laar die een uiteenzetting hield over de Rederijkers, foto midden: de overhandiging door wethouder Roderick van de Mortel van de cheque van 7.500 euro aan de voorzitter Carlo van de Water van Moyses' Bosch. Midden achter Kurt Verhees, directeur van Van den Udenhout Automobielbedrijven die de naamgever is van de tweejaarlijkse Cultuurfonds prijs Chappin-Van den Udenhout en op de foto rechts: wethouder Roderick van de Mortel en Joep Chappin [voormalig directeur bij Van den Udenhout], die luisteren naar de geestig/commercieel getinte toespraak van Kurt Verhees, directeur van het Bossche automobielbedrijf.
----------------------
Toespraak voorzitter Moyses' Bosch Carlo van de Water
De voorzitter van Moyses’
Bosch, Carlo van de Water ging in op het fenomeen amateurtoneel en op prijzen in
het bijzonder. Na de Anton Huybersprijs en de Albert Swaneprijs is deze prijs
wel de meest lucratieve, aldus Van de Water die vanaf 2001 lid is en nog geen
jaar voorzitter. Toch permitteerde hij zich gekscherend in te gaan op de
toekenning, die ‘…wel erg lang was uitgebleven, want welk Bosch gezelschap
komt nu voor zo’n prijs in aanmerking?’ In die opzet tipte Van de Water ook
even de vooroordelen aan die er rond Moyses’ Bosch leven: rijk, verwaand,
elitair, de procedure van ballotage bij toelating en .. ze weten het altijd
beter. ‘Dat laatste klopt,’ aldus de gevatte speech van de voorzitter, die
voor de inhoud naar Jaap Bernsen verwees... .
‘De vereniging kampt met
een klassiek drama,’ zoals de voorzitter het dreigende huisvestingsprobleem
noemde. Door het verdwijnen van het Groot Ziekengasthuis dreigt de
toneelvereniging de locatie bij de voormalige apotheek te verliezen. Maar
wethouder Roderick van de Mortel, die de prijs had uitgereikt, werd aangesproken
op diens ‘genetisch bepaalde talenten’, omdat grootvader Jan van de Mortel
eertijds de kamer ook wel gezind was geweest…!
Van de Mortel zegde na afloop toe dat de gemeente bij dit probleem zal
bemiddelen.Rond deze prijsuitreiking is in het Stadsarchief een expositie
gestart rond de Bossche rederijkers, waarover stadsarchivaris Rob van de Laar
voorafgaand aan de uitreiking een ‘Uiteenzetting in historisch perspectief’
hield.
----------------------------
Expositie Bossche Rederijkerskamer
![]() |
Links: twee draagborden, ontworpen
door Antoon Derkinderen in 1885.
- foto's © gerard monté, 9 februari 2006. |
![]() |
Hierboven: De draagborden zijn in 1885 gebruikt bij de alegorische optocht die trok bgv van 700 jaar 's-Hertogenbosch toen ook de 'grootste triomf van Moyses' Bosch werd herdacht die de Bossche rederijkers in 1561 ten deel waren gevallen. De tekst sprak toen -nog- van 'de zegepraal van de Bossche rederijkersmaker Moïses Doorn'.
Op beide foto's: Links de verbeelding van het blazoen van de rederijkerskamer en verschillende mythologische figuren [symbolen van de rederijkers] [op rechter bord].
Op linker bord, bovenin, onder het dak van loof, is het wapen van
Karel V afgebeeld. Onderin staan de wapens van het hertogdom Brabant [l] en de stad
's-Hertogenbosch [r].
Rechts een rebusblazoen versierd met faunen,
engelen en maskers van het blijspel en het drama.
| Foto's en twee kostuums die gebruikt
zijn bij een van de voorstellingen.
Het linker goudkleurige kostuum datertvan 2003
uit de voorstelling De zevende Bliscap van Maria. - foto's © gerard monté, 9 februari 2006. |
![]() |
*
![]() |
Indrukken van affiches en die eertijds
door de oud-collectioneur c.q. directeur van het Kruithuis Jan van Haaren
ontdekt werden.
- foto's © gerard monté, 9 februari 2006. |
|
*
![]() |
Vitrine met kleine attributen
waaronder gedenkpenningen en oorkonden en een tekening van Guus Ong
[midden onder]
Rechts een video over 'Kinderen van ons volk' van de Brabantse schrijver Antoon Coolen. - foto's © gerard monté, 9 februari 2006. |
|
*
![]() |
|
|
Hierboven: Midden in de vitrine met links vergroot een origineel 16e eeuws document over Moyses 'Bosch en rechts en detail een replica van het zilveren insigne, voorstellend Mozes en de brandende braambos. -- foto's © gerard monté, 9 februari 2006.
![]() |
Diverse programmaboekjes en
uitnodigingen met o.a. vooraan de uitnodiging voor de viering van Kees
Hurkens 50 jaar rederijker en daarachter een foto van de jonge Christ le
Blanc, ooit zelf toneelspeler, maar later meer de organisator en
bestuurder.Le Blanc kwam in september 1925 bij Roomsch Toneel, dat in 1951
de officiële erkenning verwierf als rederijkerskamer Moyses' Bosch.
- foto's © gerard monté, 9 februari 2006. |
|
*
![]() |
Een door Antoon Derkinderen ontworpen
afbeelding van de zegetocht van 1561, die ook weer voor de alegorische
optocht van 1885 is gebruikt. De rederijkers dragen de borden zoals
afgebeeld op de eerste twee foto's.
Rechts de genodigden bij de opening met tonder meer Ad de Bruin van de Bossche Omroep en Bert Pauli [bestuurder Boulevard en Maritiem] - foto's © gerard monté, 9 februari 2006. |
|
*
![]() |
Links archivaris Rolf Hage in zijn
welkomstspeech.
Rechts: Indruk van de expositiezaal bij de officiële opening. - foto's © gerard monté, 9 februari 2006. |
![]() |
*
![]() |
De genodigden met, op de linker foto,
midden Joep Chappin, mede-naamgever aan de Chappin-Van den Udenhout
Cultuurfonds prijs.
Rechter foto: Jac Stienstra [l] en archiefmedewerker Jac Biemans [m]. - foto's © gerard monté, 9 februari 2006. |
|
*
![]() |
![]() |
|
Foto's hierboven vlnr.: Jaap Bernsen van Moyses' Bosch
en rechts regisseur Edgar Danz.
Midden: bij de opening van de tentoonstelling over Moyses' Bosch werd na afloop
het archief van deze rederijkerskamer overgedragen aan het Stadsarchief in de
persoon van archivaris Rolf Hage. -
foto's © gerard monté, 9 februari 2006.
De expositie in het Stadsarchief is nog te zien tot medio maart 2006.
------------------
Historie
Bossche Rederijkerskamer
Toneelcultuur
in West Europa gaat terug tot de Romeinse tijd. De, vaak religieus-rituele,
spelen ontwikkelden zich tot kerkelijke spelen waarbij men verhalen uit de
bijbel in beeld bracht hetgeen voor de vele ongeletterden uit die tijd vaak
beter te begrijpen was (eenzelfde functie als het beeldwerk van de Sint Jan, als
een soort prentenboek, voor de Middeleeuwer had).
Aanvankelijk
was het een taak van de geestelijkheid maar onder invloed van o.a. de
Kruistochten waarvan de deelnemers graag hun wedervaren vertelden, kwamen er ook
leken bij. In Frankrijk vormden deze lekespelers en geestelijken
broederschappen. Men noemde zich daar ook wel “Chambre de Rhétorique”
afkomstig van het Franse woord “rhétoriqueur”, een beoefenaar van de
welsprekendheid. Men legde zich niet meer alleen toe op de religieuze spelen
maar steeds meer op het profane toneelspel. In 1441 komt een dergelijk gilde
voor het eerst voor in Oudenaarde onder de naam “Camere van Rhétorica”
waarna andere steden volgden. Er kon pas officieel van zo’n kamer gesproken
worden wanneer zij in het bezit was van een Chaerte, het reglement dat
goedgekeurd was door de landsheer of stedelijke magistraat.
Een 16e
eeuws auteur stelde dat de kamers, de “melancoly” en “ledicheit, moeder
van alle quaethede” zouden kunnen verdrijven. Zij hadden een belangrijk
aandeel in de levensvreugde van de burgerij door zich in te zetten bij feesten
zoals de vastenavond, processies, optochten en tableaux vivants. De kunst van
het woord hadden zij hoog in het vaandel. Zij voelden zich dan ook ver verheven
boven de gewone straatdichters en straatgezelschappen die op jaarmarkten hun
spel vertoonden. Zij hielden niet van gekunsteldheid of gezochte rijmen en maten
hun onderlinge krachten tijdens de zogenaamde landjuwelen.
In de 16e
en 17 eeuw had vrijwel ieder dorp en stad van betekenis een dergelijk
gezelschap.
’s-Hertogenbosch had er uitzonderlijk veel, namelijk vijf. Amsterdam had er 3,
Antwerpen 3, Brugge 2, Gent 4, Haarlem 3 en Mechelen 3. Alleen Brussel, Ieper en
Leuven hadden er ook vijf.
In
’s-Hertogenbosch waren dat: de “Catharinisten”, “Sint Barbara”,
“Sint Agatha”, “De Passiebloem” en “Moyses’ Doorn”.
“Moyses’ Doorn” of ook “Moyses Bosch” genoemd was al snel belangrijker dan de anderen gezien het feit dat ze lid was van het landjuwelenverbond, dat ze het vaakst wordt genoemd in de stadsrekeningen, de hoogste subsidie kreeg en in officiële publicaties steeds het eerst werd vermeld. En toch was zij de jongste onder haar zusters en wordt pas voor het eerst in 1529 vermeld wanneer het stadsbestuur besluit om haar jaarlijks 18 gulden toe te kennen. Een besluit overigens dat volgens mij sedertdien niet meer officieel is ingetrokken en bij mijn weten jarenlang niet is betaald, het is maar een tip.
Datum
van oprichting
In 1532
wordt nog gesproken van het “nyeuwer Gulden” dus het lijkt aannemelijk dat
we de feitelijke oprichting in het tweede kwart van de 16e eeuw
moeten situeren. In 1539 werd het reglement op rijm gesteld waarin stond dal
alleen leden werden toegestaan van goede naam en faam bekend expliciet wordt
vermeld: “geen dronkaards, dobbelaars/bedriegers en overspelplegers” (en nog
steeds treft men deze niet onder hen aan!). De opperprins (zeg maar burgemeester
Rombouts nú) moest eens gedurende zijn tijd fraaie klederen (kostuums t.b.v.
toneelspel?), een flambouw, een prijs van fijn tin (“van sestich pont wel
meer, niet minder”) en een Meifeest geven. En over het drinken, waarover de
Rederijkers volgens een stedelijk besluit overigens geen accijns behoefden te
betalen, waarschuwt de kaart:
“Na-tappen off drincken sie dat niemant en doe
Mate
houden, staet de Rhetorizieren toe”
Net als
iedere andere kamer had ook Moyses Bosch een blazoen, een wapenschild waarop
Mozes geknield is voor het brandende braambos waarin God verschijnt die hem op
missie naar de Farao zendt. Als devies voerde zij de zinspreuk “In viericheyt
groeijende”. Het meest in het oog springende wapenfeit was het winnen van het
Landjuweel van Antwerpen in 1561. Het grootste en indrukwekkendste
rederijkersfeest dat ooit werd gehouden met een deelname van 15 kamers met
zo’n 1200 deelnemers. Zeven zilveren schalen won de kamer en zij werd met
grootse festiviteiten in de stad onthaald. In 1885 werd dit feit nog eens
herdacht tijdens de historisch allegorische optocht die door Antoon Derkinderen
was ontworpen. De personages werden toen ingevuld door bestuursleden en leden
van de drie jaar eerder opgerichte Oeteldonksche Club.
De
kamers, werden in de roerige tijd van de Hervorming en in het conflict met de
Spaanse Koning steeds meer maatschappijkritisch getuige het Sonnius gedicht uit
1562 dat wellicht afkomstig is van een van de kamers:
O
Bisschop Sonnius, die ten Bossche zyt
Uwe
naeme is seer benyt
U
rijck is van geender weerde
In
hemelryck noch op eerde
Ghy
eedt ons dagelicxs broot
Ons
wijffs ende kynderen hebben groot noot
O
heer, ghy die daer in den hemel zyt
Maeckt
ons doch desen bisscop met zyn insettinge quyt
En
laet ons in geen becoringhe vallen
Maaer
verlost ons van de geschoren allen
In 1568
meende Alva deze ketterij en het verzet de kop te moeten indrukken met het
verzwaren van de bestaande plakkaten. Hij gelastte de stad ’s-Hertogenbosch
onder meer: “Dat in alle manieren de camere van Rhetorycke afgestelt en gans
geaboleert word, als occassien en oirsaecken zijnde van alsulcke quaden ende
schandalen als hier geschiet zijn.” Toch zijn de kamers niet verdwenen want
vanaf 1574 wordt in de archivalia weer melding van hen gemaakt. Ook na het
roemruchte beleg van 1629 is Moyses Bosch nog actief, ondanks dat de hervormde
kerkeraadsleden tegen deze “lichtveerdige en onstichtbare” zaken
protesteerde. Zo nam zij in 1641 deel aan wedstrijd van de Vlissingse kamer
waarvoor Moyses Bosch met het volgende hoogstaand literaire vers werd bedankt:
Den
Bosch die brant
Boot
ons de hant
Danck
Broeders uyt Brabant
In 1684
volgde nog een uitnodiging vanuit Bleiswijk en in 1721 koopt men een huis in de
Kerkstraat dat later bekend zal staan als de Retoriekamer en het straatje
daarnaartoe het “Rederijkersstraatje”. Een mooie gelegenheid om hier te
pleiten voor het herstel van deze naam voor het thans nog naamloze straatje.
Wanneer
in het midden van de 18e eeuw huis en inboedel worden verkocht
schijnt een einde te zijn gekomen aan een bestaan van ruim twee eeuwen. En, als
we de Kaart van 1951 moeten geloven, leidde Moyses Bosch vanaf dat moment een
sluimerend bestaan van zo’n 160 jaar. Want de kaart waarmee in 1951 Moyses
Bosch werd heropgericht spreekt haast onnozel over een continuïteit die in 1915
door Roomsch Tooneel werd opgepakt.
Oprichting
toneelvereniging
Aan het
eind van de 19e eeuw was Brabant nog achtergebleven bij het noorden.
Via kermissen e.d. maakte men kennis met het spektakeltoneel waartegen nogal
aversie bestond van kerkelijke zijde. Amateurtoneel werd vooral in de
wintermaanden gebezigd door harmonieën, fanfares en schutterijen. Binnen de
stad waren drie gezelschappen actief waarvan o.a. de koninklijk erkende
toneelvereniging “Cecilia”, opgericht in 1882.
Op zondag
10 oktober 1915 kwamen tien mannen bijeen in het café van de weduwe Mallant in
de Sint Jansstraat 14 om te praten over de oprichting van een toneelvereniging.
Johan Hammecher, Adriaan Ekels, Adriaan van den Berg en Johan Lucas waren de
initiatiefnemers. Daarbij voegden zich Cor van den Dungen, Johan van Erp, Gerard
Hooymans, Henri Lucas, Hub Mulders en Jan Mommersteeg. Jan Salfischberger was
door militaire dienst verhinderd. Ik noem deze namen, zeker in dit verband, met
ere. Bij de volgende bijeenkomst op 14 oktober voerden zij al de naam “Roomsch
Katholieke Toneelvereniging “’s-Hertogenbosch Toneel”. Een ongemengde
toneelvereniging voor rooms-katholieke mannen van boven de 18 jaar. Dat
ongemengd spelen vond wellicht zijn oorsprong in de gedachte dat de RK
geestelijkheid de groep dan wel zou erkennen want gemengd spelen was er in die
dagen nog niet bij.
Vivaldi in Venetië
Het eerste toneelstuk werd “Vivaldi in Venetié” op 20 april 1916 in het
gebouw van de RK Werkliedenbond. De eerste jaren waren moeilijk. De
toneelstukken waren dan wel goed bevonden, financieel waren ze een fiasco. De
broodnodige Bisschoppelijke goedkeuring werd echter geweigerd. Op 14 januari
1918 gooide het bestuur daarom het roer geheel om. Vanaf nu mochten ook vrouwen
deel gaan uitmaken, een voor die tijd revolutionair besluit. De naam werd
omgezet naar “Rooms toneel”. Dit alles gebeurde mede op aanraden van dr.Sicking,
conrector van het Stedelijk Gymnasium, een man met veel aanzien. Hij zorgde ook
voor een geestelijk leidsman in de
persoon van kapelaan Heezemans en bovendien gaf Bisschop Diepen toestemming tot
gemengd spelen. Nu werden ook donateurs voor het eerst toegelaten. In die jaren
werden ook de doelstellingen geformuleerd:
Te
bereiken door:
De
repetitieactiviteiten werden verlegd van café Malland naar de Plaats Roijaal.
Het erelid Fyke Sybesma omschreef in 1925 bij gelegenheid van het 2e
lustrum deze periode als volgt: “Kon het er bij Mallant weleens ruw aan
toegaan, nu was dit afgelopen. De nieuwe regisseur en vooral de sfeer van het
vrouwelijk element werkte veredelend en beschavend.”
nieuwe
regisseur Kees Spierings
Na de volhardende voorzitter Hammecher, die helaas in 1921 al overleed, was
het toch vooral Kees Spierings (tot 1965 toe) die als voorzitter en regisseur
telkens weer het “Rooms Toneel” op niveau wist te houden. Andere grootheden
waren Herman Moerkerk die Spierings als regisseur aan het gezelschap wist te
verbinden. Tekenend is ook dat een beroepsacteur als Cor Hermus regelmatig
meespeelde. In october 1925 wordt Chris Leblanc erbij gehaald die zich vooral op
organisatorisch vlak zou begeven. In 1928 is onenigheid in het bestuur als
gevolg van sterk gegroeide ledenaantal (40). Jan Grosfeld wordt als regisseur
aangesteld en de rust keert weer.
Decors, kostuums en programmaboekjes, affiches, rekwisieten, alles werd in eigen
beheer verzorgd. Vaak waren het winkelbedrijven die hierin steun gaven.
Als vaste
toneellocatie gebruikte men in die jaren het Concertgebouw. In de jaren dertig
(toen de zondagavonden niet meer te gebruiken waren) verkaste Roomsch Toneel
naar het Casino dat vanaf dat moment een belangrijke rol zou blijven spelen.
Vele bekende en minder bekende stukken werden door hen gespeeld soms onder
leiding van een bekende regisseur zoals “Marieken van Nimwegen”, o.l.v.
Albert van Dalsum in 1933. Groots was ook de opvoering in 1937 “Gijsbrecht van
Aemstel” in het kader van het Vondeljaar.
Rooms toneel hield ook kermis- (in patronaat de Muntel) en carnavalsuitvoeringen
(in patronaat Catrien) om door stichtelijke stukken het niveau op deze dagen wat
op te vijzelen. Tot de oorlog kende Rooms Toneel een groeiend succes, mede als
gevolg van de vergrote belangstelling voor toneel in Brabant.
Men trad niet alleen te ’s-Hertogenbosch maar ook daarbuiten op (Wanssum,
Dongen, Vlijmen, Waalwijk, Oss, Culemborg, en openluchttheater te Oisterwijk,
Oosterhout). Op aanvraag bij afscheid van pastoors en jubilea van verengingen.
Grote namen uit die tijd waren Jo van Erp evenals Annie van Asperen.
Kulturkammer
In de oorlog
maakte de Kulturkammer in 1942 ook aan de activiteiten van dit gezelschap een
einde. De verplichte inschrijving werd gezien als meedoen met de bezetter. Het
katholieke episcopaat verbood inschrijving waardoor bijna het gehele Brabantse
toneelleven stil kwam te liggen. Toch bleef de groep bijeenkomsten houden in
Reinier van Arkel waardoor de continuïteit werd gegarandeerd. In 1947 wordt
Roomsch Toneel eindelijk officieel door de geestelijkheid erkend. Het
toneelgezelschap gaat vanaf dan ook de regie van plechtige omgang voor haar
rekening nemen onder leiding van Kees Spierings.
Intussen
wordt Kees Spierings gepolst door Carlos van Lanckeren, griffier van de
rederijkerskamer “Jhesus met den Balsemblomme” te Gent, om te bezien of
Roomsch Toneel tot rederijkerskamer kan worden verheven. Dat was in België al
sinds 1938 weer mogelijk. Het was gebaseerd op het recht dat de Soevereine
Koninklijke Hoofdkamer van Rhetorica “De Fonteine” te Gent in 1448 van de
Gentse Magistraat had ontvangen, door Keizer Maximiliaan van Oostenrijk was
bevestigt en later door de Vlaamse overheid. Dat recht was in 1938 weer
opgenomen. |
De beide toneelverenigingen begonnen met uitwisselingen en daaruit ontstond een
band. Bij de ontvangst te Gent in 1949 werd ook een contact met “De Fonteine”
opgenomen. Tijdens die bijeenkomst uit burgemeester Loeff de wens om ook in
Nederland een rederijkerskamer te vestigen ter bevordering van het amateurtoneel
en het geven van een cultuurhistorische basis daaraan. De Fonteijne geeft ter
bevestiging van het goede contact een legpenning. In 1952 dient een afvaardiging
van Rooms Toneel: Kees Spierings (artistiek leider), Herman Bettonville
(zakelijk leider) en Chris Le Blanc (penningmeester) en een afvaardiging van het
stadsbestuur een officieel drieledig verzoek in dat inhield:.
-
Moyses’ Bosch
was de laatste bestaande rederijkerskamer tot in de 18e eeuw
te Ht.
-
Samengaan van religie en toneel
zoals ook bij de rederijkers het geval was.
-
Huidige activiteiten waarbij ook de
verzorging van de jaarlijkse plechtigheid van Maria.
2
Goedkeuring van blazoen en devies”ïn viergheyt groeiende” (bloeiende
was fout)
3
Instemming met de gekozen patrones Sint Agatha.
In
aanwezigheid van vele prinsen, bestuurders e.d. wordt dit te Gent gehonoreerd en
op 22 april 1951 komt een afvaardiging van “De Fonteyne” naar
‘s-Hertogenbosch en vindt de installatie officieel plaats in de bovenzaal van
het stadhuis waarbij burgemeester Loeff als eerste “Prince der Cameren”
wordt geïnstalleerd.
“Moyes’Bosch”
werd aangesteld als hoofdkamer in Noord-Brabant. Daarmee kan een gezelschap in
Brabant dat meent aanspraak te kunnen maken op de titel “rederijkerskamer”
een verzoek daartoe indienen bij deze kamer.
Toch was
het in die gloriedagen niet zo goed gesteld met de groep. In dat jaar had de
vereniging een tekort van 1.000 gulden. De repetitie-accomodatie op de Muntel
werd niet positief ervaren en vele acteurs bleven vaak, zonder bericht van
verhindering, weg. Men wist de draad op te pakken door o.a. een lening van 500
gulden te bedingen bij het Bisdom en de zaken weer op orde te brengen.
Een nieuw
initiatief was in 1955 de jaarlijkse nieuwjaarswens die door de
“factor” (officiële schrijver) op rijm wordt geschreven. Vanaf 1956 vormde
de binnenplaats van het Kruithuis 17 jaar het decor van de openluchtspelen. In
die jaren verzorgde de kamer ook lezingen met het toneelspel als onderwerp. Van
1962 tot en met 1973 organiseerde Moyses Bosch de befaamde declamatie
voordrachtswedstrijden in Casino waar, nu bekende grote namen, optraden. Het
verdween echter als gevolg van vermindering van de animo.
In 1972
moest het Kruithuis worden verlaten en werd het vervangen door een niet af te
sluiten, volkomen ongeschikte zolderruimte aan de Havensingel. Pas in 1983 kwam
aan de huisvestingsproblematiek een einde door de ingebruikname van het oude
regentenhuis van het Grootziekengasthuis. Een lokatie waarvan ik het
gemeentebestuur, in mijn bescheidenheid natuurlijk, mag aanbevelen dat het ook
na de herinrichting van het GZG-terrein ten gebruike blijft van dit illuster
gezelschap.
Het gaat
te ver, mijne dames en heren om U kond te doen van alle wedervaren van dit
gezelschap, de talloze grote en kleine stukken die zij hebben opgevoerd, de
prijzen die zijn behaald. Ook mist U wellicht de grote namen die hebben
meegewerkt aan de successen al wil ik zeker de naam van een Henk van Ulsen U
niet onthouden. Dat laatste zou alleen maar leiden tot meningsverschillen in het
bestuur en ik weet er alles van wat dat voor gevolgen kan hebben.
Zoals het
een toneelgezelschap betaamt, zijn het wisselende successen geweest die de
dynamiek nimmer hebben aangetast waardoor de bijdrage van dit gezelschap aan het
culturele leven van de stad een zeer bijzondere is, maar daarover laat ik het
woord aan de andere sprekers die in hun laudationes ongetwijfeld verder zullen
roemen.
© rob van de laar, 9 februari 2006. Uitgesproken in de Oranjegalerij van het Stadhuis bij de uitreiking van de Chappin-Van den Udenhout Cultuurfonds prijs.
----------------------------------------------
© paul kriele, februari 2006.